Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelaten, hoe groot dit ook moge zijn. In deze staten wordt op eene oppervlakte van niet meer dan 2000 Feldmorgen resp. WO Morgen en 200 H. A. slechts 1 pachter toegelaten, van 2000—4000 Feldmorgen resp. 400—800 Morgen en 200—400 H. A. hoogstens 2 en op complexen van eene grootere oppervlakte nooit meer dan 3 pachters.

In G o t h a daarentegen laat de wet op complexen van minder dan 4000 Acker ten hoogste drie pachters, en voor iedere 2000 Acker daarboven telkens één pachter meer toe tot een onbeperkt getal. Een soortgelijk stelsel is ook neergelegd in de Algemeene Pachtvoorwaarden in E1 z a sLotharingen — de jachtwet zwijgt er over —, waarin bepaald is, dat de pachter in jachtgebieden, die minder dan 400 H. A. omvatten, twee medepachters — en in gebieden, die eene oppervlakte van meer dan 400 H. A. hebben, op iedere J00 H. A. daarboven één medepachter meer aannemen kan, dus eveneens ongelimiteerd.

De Boheemsche jachtwet stelt zich in haar artikel 16 op het standpunt, dat „in der Regel" slechts één persoon als pachter op het complex wordt toegelaten, en ditzelfde systeem omhelzen ook de wetten van B u k o w i n a, Istrië, Krain, Salzburg en Ti rol, waar zij in haar § 7 bepalen, dat de jacht „ungetheilt" moet verpacht worden. In geene der overige Oostenrijksche wetten komt zoo'n beperking evenwel voor: allen, die eene persoonlijke qualificatie tot de jacht kunnen bekomen, kunnen daar in onbeperkten getale als jachtpachters worden toegelaten. In deze wetten wordt zelfs eene Jagdgesellschaft, hoe groot haar aantal leden ook moge zijn, tot de jachtpacht toegelaten, met uitzondering slechts van die leden, die geene persoonlijke qualificatie tot de jacht kunnen bekomen. De jachtwetten van Mahren (§ 48 lid 2), S i 1 e z i ë (§ 18 lid 3) en Stiermarken (§ 16 lid 8) voegen daaraan het voorschrift toe, dat de leden van die Jagdgesellschaft, aan welke de jacht op het complex zal verpacht worden, te voren

Sluiten