Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gemeentelijke jachtcomplex vormen, kadastraalsgewijze ').

De Beiersche wet eischt geene directe uitkeering van de jachtopbrengsten uit de gemeentekas, waarin zij in eerste instantie gestort worden, in den zak der grondeigenaren, maar stelt zich tevreden met eene verrekening met de gemeente-belastingen (art. 8). De som, die de grondeigenaren als gemeente-leden aan belasting moeten betalen, wordt in dat geval verminderd met hun aandeel in de jachtgelden en, indien dit aandeel meer bedraagt dan hun aanslag in de gemeente-belasting, wordt hun dit surplus uitgekeerd. Niet dus als gemeente-lid maar als grondeigenaar genieten de ingelanden in een jachtcomplex hun aandeel in de voordeelen uit de jacht; de Beiersche wet wijkt met hare bepaling niet af van het stelsel, dat de economische voordeelen uit de jacht ten goede moeten komen aan den grondeigenaar. Zij houdt echter geene uitdrukkelijke bepaling in, naar welken maatstaf de verdeeling der jachtopbrengst onder de ingelanden moet geschieden. Uit de bepaling van artikel 9 evenwel, dat een privatieve jager, indien hij gebruik heeft gemaakt van het hem volgens artikel 6 toekomende recht, om zijne in het gemeentecomplex gelegene of daaraan grenzende jacht, te zamen met dat complex te verpachten, eene uitkeering krijgt, die, bij gebreke eener bijzondere overeenkomst, wordt berekend naar de kadastrale grootte (Tagwerkzahl), mag worden afgeleid, dat ook onder de ingelanden de verdeeling

1) In de jachtwet van Reuss j. L. komt geene bepaling voor omtrent de bestemming der jachtpachtgelden Toch heeft de wetgever klaarblijkelijk bedoeld, dat deze gelden den grondeigenaren zouden ten goede komen. Dit mag ook worden afgeleid uit de toelichting van § 1 der wet, waarin op den voorgrond wordt gesteld, dat beperkingen van den band tusschen grondeigendom en jachtrecht slechts in zooverre zijn toegelaten, „als im Interesse einer pfleglichen Ausübung der Jagd unbedingt geboten erschien."

Sluiten