Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den letzten Jahrzehnten in dieser Hinsicht getroffene Rechtsprechung finde in den Kreisen der Juristen keineswegs allgemeine Zustimmung. Wolle man aber den in dem Gesetzentwurfe empfohlenen Mittelweg gehen, dem betreffenden Grundbesitzer das Recht des Ausscheidens nach 3 Jahren zu gewahren, so müsse man auch dem Jagdpachter das Recht geben, das Pachtverhaltnis aufzulösen" '). Evenals later in de vergadering van het Haus der Abgeordneten van 18 Februari 1907') de afgevaardigde Herold, oordeelden deze leden het inconsequent, dat niet de rechten en belangen van jachtpachter en grondeigenaar met dezelfde maat werden gemeten. Gaf men den eigenaar het recht om zijne gronden, indien zij aan de gestelde voorwaarden voldoen, uit het complex uit te schakelen, ook gedurende den loop eener jachtpachtperiode, dan moest men aan den anderen kant ook de consequentie aanvaarden, dat de jachtpachter tegelijkertijd van het jachtpachtcontract kan terugtreden.

De tweede strooming ging uit van het standpunt, dat het aan den grondeigendom inhaerente jachtrecht nog steeds het uitgangspunt van de Pruisische jachtrechts-regeling was gebleven: ieder grondeigenaar heeft op zijn grond het recht om te jagen. Slechts indien deze grond niet voldoet aan in de wet gestelde minimum-eischen, treedt de gedwongen uitzonderingstoestand in, dat de grondeigenaar niet heeft het recht tot uitoefening van de jacht. „Dieser Grundsatz bedinge aber die Forderung, dass, wenn durch Yergrösserung desGrundbesitzes auf die ftir einen Eigenjagdbezirk bestimmte Minimalgrösse ein Grund fi'ir die Deschrankung des Jagdrechts des Grundbesitzers fortfalle, das Recht desselben auch sofort beginnen müsse. Dieses Rechtes dürfe der Grundbesitzer nicht aas dem Grunde verlustig gehen, dass die Jagd auf

1) Bericht t. a p. bl. 5.

2) Verhandl. t. a. p. bl. 963.

Sluiten