Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eigenaar te verzoenen was de middenweg van bet ontwerp gekozen ').

De strooming ten gunste van den jachtpachter bleek ook in het Haus ten slotte de meerderheid te hebben. In de wet van 1907 wordt met die belangen nog meer rekening gehouden dan in het oorspronkelijke ontwerp was geschied, hoewel zij ook daar, zooals wij zagen, geenszins uit het oog waren verloren. De wet toch bepaalt, dat, indien gronden, gelegen in een gemeentelijk jachtcomplex, gedurende den loop eener jachtpachtperiode worden gevredigd of aangesloten bij eene privatieve jacht, de eigenaar ze als zoodanig slechts kan reserveeren na afloop van het loopende pachtjaar, indien hij den Vertreter en den jachtpachter van het complex ten minste 6 maanden te voren van zijn voornemen kennis heeft gegeven. De jachtpachter krijgt van zijn kant in dit geval een terugtredingsrecht; hij kan van de jachtpacht afzien, indien hij het contract ten minste 5 maanden te voren opzegt. Dit terugtredingsrecht van den jachtpachter is het voornaamste verschil tusschen de jachtwet en haar oorspronkelijk ontwerp.

Indien en zoodra aan den anderen kant eene privatieve jacht ophoudt te voldoen aan de in de wet gestelde eischen, maakt zij vanzelf deel uit van het jachtcomplex, waar zij eerst uitgeschakeld was (§ 14 lid 2). Deze bepaling kwam ook reeds voor in het ontwerp van de wet van 1907 (§ 17 lid 2). In de gevolgen echter van deze oplossing verschillen ontwerp en wet aanmerkelijk en ook hier toont de wet een duidelijk streven om met meer klem voor de belangen van den jachtpachter op te komen. De thans geldende wet bepaalt, dat in het gestelde geval de jachtpachtsom naar evenredigheid verhoogd wordt. De pachter is evenwel niet in ieder geval gehouden zich die verhooging te laten welgevallen: indien de gronden, die aan het jachtcomplex toevallen, meer opper-

1) Bericht der XIII Kommission, t a. p. bl. 6.

Sluiten