Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vlakte beslaan dan '/io van oorspronkelijke complex, heeft de jachtpachter het recht om van het contract af te zien. Dit terugtredingsrecht van den pachter nu ontbrak in liet oorspronkelijke ontwerp. Toch gaf ook dit ontwerp hem eene veiligheidsklep en wel door de bijvoeging deiwoorden „beim Fehlen einer anderweiten Abrede". Bij het sluiten van het contract moest de jachtpachter er dus maar op rekenen, dat de mogelijkheid bestond en hem voortdurend boven het hoofd zweefde, dat hij gedurende den loop van zijn pachttijd gedwongen zou kunnen worden, om een misschien veel grooter jachtveld te pachten. Met het oog daarop konden in het contract andere bepalingen gemaakt worden, bijvoorbeeld omtrent verhooging van de pachtsom; nooit konden echter die voorwaarden daarop uitloopen, „dass dem gepachteten Areal keine Fliichen hinzugelegt werden dürfen" *).

De bepalingen, die wij omtrent dit onderwerp aantreffen in de Oostenrijksche jachtwetten, mogen in het algemeen op eene grootere volmaaktheid bogen dan de Duitsche. Op den voorgrond moet evenwel gesteld worden, dat dit niet geldt van Bo hemen, G ö r z-G r a d i s c a, en de landen, waar het Kaiserliche Patent van 1849 van kracht is, die van zulke bepalingen geheel en al verstoken zijn. De jachtwetten der overige kroonlanden daarentegen bepalen, dat, indien gedurende den loop eener jachtpachtperiode gronden in een jachtcomplex gaan voldoen aan de voor privatieve jachten gestelde minimum-eischen, de eigenaar eerst na afloop dier periode het privilege van de privatieve jacht zal gaan genieten. Tot op dat tijdstip zijn dus de rechten van den privatieven jager latent; uitsluitend met de belangen van den jachtpachter wordt rekening gehouden.

In die wetten wordt ook de zeer voor de hand liggende

1) Hans der Abg. t. a. p. Nr. 10, bl. 23.

Sluiten