Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ongetwijfeld mag het vraagstuk veelzijdig en ingewikkeld genoemd worden en het is dan ook niet te \ et wonderen, dat noch in de jurisprudentie, noch bij de schrijvers eenheid van opvatting heerscht, en dat hunne gevolgtrekkingen verschillen, naar mate zij de zaak meer van het standpunt van den grondeigenaar of van dat van denjacht-

pachter beschouwen.

Tot 1897 toe overwoog de jurisprudentie in Pruisen voortdurend, dat de gemeente bij de verpachting der jacht in haar complex handelt als de vertegenwoordigster der grondeigenaren, zoodat deze daardoor worden vei plicht en aan het gesloten pachtcontract gebonden zijn. In 1897 — het K. Oberlandesgericht Köln brak daartoe de baan ') maakte de jurisprudentie evenwel eene zwenking en overwoog nu, dat de grondeigenaren in een complex slechts zoolang, en geene minuut langer aan het jachtpachtcontract gebonden zijn, als hunne gronden niet aan de voor privatieve jachten gestelde voorwaarden voldoen. Eene dergelijke zwenking ontmoeten wij in Beieren, waar het B. O. G. H. voor het eerst in zijne uitspraak van 30 November 1900 de nieuwe Pruisische opvatting volgde. De overwegingen van dit arrest zijn zeer mei kwaai dig en daarom wil ik niet nalaten ze hier te laten volgen: „dass .... Aenderungen in der Beschalïenlieit der Grundstücke bis zur nachsten Verpachtung unberücksichtigt bleiben sollen, erscheint schon urn deswillen bedenklich, weil die Dauer der Pachtzeit nicht gesetzlich bestimmt ist, die Gemeinden also nicht gehindert sind, Pachtvertrage auf lange Zeit zu schlies-

se.n Mit dem Ergebnisse, dass die Gemeinde die

Jagd auf den Grundstücken zu verpachten hat, die jeweils ihrer Fürsorge untei'liegen, steht auch der Wortlaut des Art. 2 insofern in Einklang, als er das Recht des Eigen-

1) Pollwein, t. a. p. bl. 32.

Sluiten