Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jachtdistricten, waarin de provinciën verdeeld waren '). Op deze, hetzij grootere, hetzij kleinere publieke jachtvelden mocht ieder, die aan de gestelde voorwaarden voldeed, jagen, behoudens natuurlijk de inachtneming van de in de wet of in wettelijke voorschriften gestelde jachtpolitiaire voorschriften.

Door de registratie en de afpaling verkreeg de eigenaar het recht om zijne gronden buiten het publieke jachtveld te houden, maar daarmede was nog niet uitgemaakt, dat hij zelf op die gereserveerde gronden mocht jagen. Daarvoor had hij nog eene persoonlijke qualificatie noodig in den vorm eener jachtacte. En juist ten aanzien van deze jachtacte hield de wet van 1814 de bepaling in, dat slechts bepaalde groepen van personen haar konden verkrijgen. Voldeed een grondeigenaar dus aan alle vereischten voor de privatieve jacht, maar behoorde hij niet tot de gequalificeerden, die eene jachtacte konden verkrijgen, dan was voor hem het gevolg van zijne registratie en afpaling, dat de jacht op zijne gronden moest blijven rusten en was zijn voordeel alleen, dat de gronden aan het publieke jachtveld waren onttrokken.

Herhaaldelijk is de opvatting op den voorgrond gedrongen, dat in de jachtwet van 1814 het jachtrecht als regaal werd beschouwden behandeld3). Niemand had volgens deze meening

1) Noord-Brabant was verdeeld in 5, Gelderland in 4, Holland in 8 (Zuid-Holland 5, Noord-Holland 3), Zeeland in 2, Utrecht in 2, Friesland in 5, Overijsel in 3 en Groningen in 3 jachtdistricten, terwijl Drente in zijn geheel 1 jachtdistrict uitmaakte.

2) Verster, t. a. p. bl. 88 vlg.; Mr. G. Dumbar, Gedachten

over de Wet van 6 Maart 1852, Staatsblad no. 47, tot regeling der Jagt en Visscherij in Nienwe Bijdragen van regtsgeleerdheid en wetgeving door Mrs. C. A. den Tex en J. van Hall, 1853, bl. 28—30; Mr. H. Malecotius, Briefwisseling, over de vraag: langs welken weg, in de wet van den 11 July 1814, op het stuk der jagt, wenschelijk gewordene veranderingen zouden kunnen worden gemaakt ? (1843), bl. 4; de Geus, t. a. p. bl. 25 en 29.

Sluiten