Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ingrijpend, dat het voorzeker verwondering mag wekken, dat in het Rapport van Hun Edel Mogende Gedeputeerden tot de Binnenlandsche Zaken, uitgebracht in de vergadering der Staten-Generaal van 5 Juli 1814'), met geen woord over deze verandering werd gerept en dat de Staten-Generaal zelf voetstoots het wetsontwerp aannamen.

Na de vereeniging met de Zuidelijke Nederlanden bestonden in het nieuwe koninkrijk de drie bovengenoemde stelsels van jachtgerechtigheid naast elkaar: in de Noordelijke gewesten het publieke jachtveld-stelsel, in het grootste deel der Zuidelijke provinciën het grondeigendoms-jachtrecht-stelsel en in het land van Overmaas het jachtcomplexen-systeem. Aan dezen ongezonden toestand trachtte een ontwerp van wet, „houdende bepalingen op de uitoefening en het regt van de jagt", ingediend op 20 Februari 1818, een einde te maken '). In dit ontwerp stelde de Regeering zich, evenals de wetgever van 1814 had gedaan, op het standpunt van het publieke jachtveld-stelsel: artikel 9 hield met ongeveer gelijke bewoordingen hetzelfde in als artikel 15 van de wet van 1814. Op dit publieke jachtveld zouden allen tot jagen gerechtigd zijn, die in het bezit waren eener jachtacte. Evenals onder de wet van 1814 konden deze jachtacten volgens het ontwerp van 1818 slechts aan bepaalde categoriën van personen worden uitgereikt en voorts aan hen, aan wie zij „uit bijzondere gunst worden verleend."

Op één punt evenwel verschilde het ontwerp hemelsbreed van de wet, die zij de strekking had te vervangen. Ook zij, die aan alle door de wet gestelde voorwaarden voldeden, hadden het jachtrecht niet als eigenaar van den grond, maar door de gunst des Konings, die die gunst ten allen tijde kon intrekken: „tot Ons kennelijk wederzeggen toe" (art. 1).

1) Handelingen 1814—1815, bl. 47.

2) Bijlagen 1817—1818, bl. 360—364.

Sluiten