Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verdedigden de stelling, dat het wild oudtijds was geweest het eigendom niet van enkele individuen, maar van de maatschappij in haar geheel. Daarom ook behoort de jacht tot die onderwerpen, die geregeld moeten worden door wetten, „waardoor de gepresumeerde wil der maatschappij kenbaar wordt." De jacht werd door hen beschouwd als een recht, dat de opperste macht in den staat namens de maatschappij naar willekeur kon vergunnen, wijzigen of naar zich terug nemen. De jacht was een regaal „van de Kroon, niet als een particulier eigendom van den tijdelijken bezitter van de Kroon, als een regaal van den Koning, waarover die oppermagtig en willekeurig kan beschikken, maar als verbonden aan de opperste magt, en dus alleen vatbaar om door de wet geregeld te worden," zooals de afgevaardigde Van Lijnden van Hoevelaken het uitdrukte'). Het stelsel van jachtgerechtigdheid, zooals het in het ontwerpKemper was neergelegd, was alleen dan verdedigbaar, indien alle niet-grondbezittende leden van de maatschappij ten behoeve van de grondbezitters afstand deden van hun jachtrecht en wel, omdat het jachtrecht ouder was dan het eigendomsrecht, de private eigendom, die immers haar ontstaan dankte aan de landbouwbelangen.

Andere leden uit het Noorden verzetten zich tegen het ontwerp minder op theoretische bezwaren, dan wel om de praktische nadeelen in verschillende richting, die zij van het grondeigendoms-jachtrecht-stelsel verwachtten. Hunne gronden daarvoor putten zij vooral uit de geschiedenis van het jachtrecht in den revolutietijd. In het bijzonder de afgevaardigde Van Suchtelen tot de Haere meende zich op dezen grond tegen het voorstel te moeten verzetten. „In den jare 1795, wanneer onze Noordelijke gewesten, den zoo ongelukkigen gang des tijds moetende volgen, met eenen zoo schoonschijnenden vrijheids- gelijkheids- en zoogenaam-

1) Handelingen 1818—1819, bl. 162.

Sluiten