is toegevoegd aan uw favorieten.

Jachtrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dommelijk land bepalende; het overgebleven wild ten prooi aan het voor hetzelve, nu zoozeer vermenigvuldigde, roofgedierte overgelaten; van welker uitroeijing, bij gebrek aan betaalde premiën, nu ook niet meer te denken viel, en waarvan de gevolgen dus eindelijk waren, dat in korten tijd, nu ook het tam gedierte, als hoenderen, ganzen, noch eendvogelen, voor den buitenman zoo onontbeerlijk, meer overig bleven en behouden werden" ').

Het verzet mocht evenwel niet baten; het ontwerp-K e m p e r werd in de Tweede Kamer aangenomen. Anders evenwel in de Eerste Kamer; blijkens een bericht, ingekomen in de vergadering der Tweede Kamer van 27 Maart 1819, had de Eerste Kamer gemeend het voorstel te moeten afstemmen2).

Ongestoord zette nu de wet van 1814 haar bestaan voort, ook nadat de Code Napoléon in 1838 was vervangen door het Burgerlijk Wetboek, dat in zijn artikel 641 neerschreef: „Het regt om zich het wild of de visschen toe te eigenen behoort, bij uitsluiting, aan den eigenaar van den grond waarop zich het wild, of van het water waarin zich de visschen bevinden; behoudens de regten door derden verkregen, waarvan zij tegenwoordig het genot hebben, en onverminderd de wetten en verordeningen op dat stuk aanwezig."

De positieve verplichting van registratie en afpaling, die de wret van 1814 aan degenen oplegde, die hunne gronden als privatieve jacht wilden voorbehouden, was zonder twijfel niet in strijd met het voorschrift van artikel 641 B. W.3). De strijd tusschen het B. W. en de jachtwet van 1814 begon eerst met de gevolgen, die deze laatste verbond aan

1) Handelingen 1818—1819, bl. 168.

2) Handelingen 1818—1819, bl. 192.

3) M a 1 e c o t i u s, t. a. p. bl. 2 en 3 oordeelt het voorschrift van registratie en afpaling in strijd met artikel 641 B. W. Zoo ook Mr. B. G. A. Pabst, Wet op de jagt en visscherij (1852), eerste deel, bl. III.