Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jagt over te laten aan het publiek. Van daar de verdeeling in eigen en algemeen jagtveld."

Reeds bij de behandeling van het ontwerp in de afdeelingen deed zich blijkens het Voorloopig Verslag') een sterk verzet tegen het publieke jachtveld-stelsel gevoelen, in het bijzonder op grond van strijd met artikel 641 B. W., dat immers nooit kan gedoogen, dat een derde zonder vergunning van den eigenaar op diens grond jaagt. „Enkele leden verklaarden zelfs niet te kunnen toegeven, dat de eigenaar, zijn regt van toeëigening van het wild op eigen grond wenschende uit te oefenen, bij de wet tot het afpalen van zijnen eigendom verpligt zou kunnen worden. Huns inziens zou dusdanige bepaling strijden met art. 627 van het Burgerlijk Wetboek, vermits de eigendom ook zonder uiterlijke kenteekenen regtens in zich bevat de bevoegdheid om alle gevolgen daarvan uit te oefenen" *). In het algemeen ondervond het ontwerp in de afdeeling der Tweede Kamer een zóó ongunstig onthaal, dat de Regeering het beter oordeelde het in te trekken en het niet bloot te stellen aan eene kritiek in openbare beraadslaging: het leven van de reeds zoo lang veroordeelde wet van 1814 was daardoor weer voor eenigen tijd verlengd.

Aan den grooten hervormer van het Nederlandsche staatsbestuur, Mr. J. R. Thorbecke, was het voorbehouden ook het jachtrecht ingrijpend te wijzigen. Op 10 September— 1 October 1851 werd aan de Tweede Kamer een ontwerp van wet aangeboden, dat de strekking had, om het positieve Nederlandsche jachtrecht in overeenstemming te brengen met het Burgerlijk Wetboek. Reeds dadelijk bij den aanhef der Memorie van Toelichting bleek overtuigend, dat Thorbecke stond aan den kant van hen, die het publieke jacht-

1) Bijlagen 1845—1846, bl. 64—69.

2) Bijlagen 1845—1846, bl. 64.

Sluiten