Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klaarblijkelijk voor oogen, toen hij voor de uitoefening van het jachtrecht den eisch stelde, dat zij zou geschieden in overeenstemming met de politiaire bepalingen, op dat stuk aanwezig.

Zoowel dus door het jachtrecht inhaerent te maken aan het eigendomsrecht van den grond, als door de bescherming van den wildstand tot leidend motief voor de wettelijke regeling van het jachtrecht te verklaren, ontstond naar het oordeel van Thorbecke eene volmaakte harmonie tusschen het ontwerp en de vigeerende burgerlijke wetgeving.

Zoo gemakkelijk als de wetgever van 1814 was die van 1852 volstrekt niet, toen het ontwerp van wet ter sprake kwam, dat de jachtwet van 1852 is geworden. Reeds dadelijk in de eerste vergadering van de Tweede Kamer, waarin het ontwerp in behandeling kwam, vond het grondeigendomsjachtrecht-stelsel heftige bestrijders in de afgevaardigden Ypey, Van Lynden en Van Dam van lsselt. In de eerste plaats stelden de tegenstanders van het ontwerp zich op het standpunt, dat de beweerde strijd tusschen de wet van 1814 en artikel 641 B. W. toch wezenlijk denkbeeldig was; om de jachtwet in overeenstemming te brengen met de burgerlijke wetgeving, was eene wijziging der jachtwet daarom niet noodig. Immers, artikel 641 B. W. stelde als eisch, dat het jachtrecht slechts zou toekomen aan den grondeigenaar, „onverminderd de wetten en verordeningen op dat stuk aanwezig." Zoo'n wet nu was de jachtwet van 1814, die eischen stelde, waarvan het recht van den eigenaar van den grond, om met uitsluiting van ieder ander op zijn grond te jagen, afhankelijk werd gemaakt. Kwam de grondeigenaar die eischen niet na, „welnu," zoo was de redeneering, „dan doet hij stilzwijgend afstand van zijn regt aan iederen tot de jacht bevoegde" 1).

Was om deze reden eene verandering in het bestaande

1) Handelingen 1851—1852, bl. 574.

Sluiten