Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevaardigden tegen het systeem van het ontwerp te berde gebracht, vonden bij Thorbecke geene genade. Vooreerst bestreed hij de opvatting, dat door de verregaande versnippering van den grondeigendom de jacht voortaan slechts aan eenige groote grondeigenaren mogelijk zou zijn, waardoor èn het jachtbedrijf, de jacht als sport, èn de fiscale belangen van het Rijk zouden getroffen worden. Met zekerheid was hieromtrent uiteraard niets te voorspellen, maar, wanneer men lette op de toestanden in Frankrijk, waar die versnippering sedert den revolutietijd haar invloed nog veel sterker had doen gevoelen dan hier te lande, in Limburg, waar nog steeds het Fransche decreet van 1790 gold, en in België, dan meende hij een gegrond vermoeden te mogen uitspreken, dat de toestand voor jachtbedrijf en fiscus onder het nieuwe stelsel veel gunstiger zou zijn dan de tegenstanders van het ontwerp voorspelden. Het fiscale argument mocht bovendien niet al te zeer wegen, want behalve de dienaangaande bestaande onzekerheid, zat bij de Regeering ook niet de bedoeling voor, om met de jachtacten winst te behalen, maar alleen om de kosten van het jachttoezicht te dekken. „Bovendien, deze wet is niet voorgesteld om het getal der jagtliefhebbers te doen toenemen, om de jagt uit te breiden of de kunst te doen ontwikkelen, maar om het jagtregt met ons burgerlijk regt in overeenstemming te brengen; en om uit onze administratie, gelijk uit onzen maatschappelijken omgang, zoo menige verkeerdheid te doen verdwijnen als met die wet van 1814 was verbonden" ').

Wat de bezwaren voor den grondeigenaar-jager zelf bij het ontbreken van eene in de wet neergelegde verplichting tot afpaling aangaat, sloot de Minister zich aan bij de bestrijding, die dit argument, dat later nog in het Voorloopig Verslag van de Eerste Kamer op den voorgrond werd ge-

1) Handelingen 1851—1852, bl. 583; Pabst, t. a. p. bl. 14; Onuitg. pari. red. bl. 265.

Sluiten