Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alles behalve aristocratisch, en mogt daaruit voortvloeijen, dat de groote grondeigenaren meer partij van de jagt trekken, dan andere jagtliefhebbers, dan is dit een natuurlijk gevolg van het verschil van den maatschappelijken toestand, van de gegoedheid. Dat men echter onder de heerschappij van het systeem, hetwelk bij dit ontwerp zal worden ingevoerd, niet uitsluitend de groote grondeigenaars tot jagen in staat stelt, dit volgt, meen ik, uit het cijfer der jaarlijks in België en in de provincie Limburg aangevraagde acten" ').

Het stelsel van jachtgerechtigheid, zooals het in het oorspronkelijke ontwerp was neergelegd, werd ten slotte zoowel door de Tweede *) als door de Eerste Kamer 3) aanvaard en daarmede was het laatste uur voor de jachtwet van 1814, die reeds van het begin af aan zooveel te wenschen had overgelaten, eindelijk aangebroken. De wet van 6 Maart 1852 verbond het jachtrecht aan den grondeigendom en liet den eisch van verplichte afpaling varen.

Toch zou de zoo lang gewenschte wet van 1852 geen lang bestaan hebben: reeds in 1857 werd zij vervangen

1) Handelingen 1851—1852, bl. 584; Pabst, t. a. p. bl. 16; Onnitg. pari. red. bl. 166.

2) Handelingen 1851—1852, bl. 685.

3) Handelingen Eerste Kamer 1851—1852, bl. 138.

4) Mr. S. Tak, Wet tot regeling der jagt en visscherij, toegelicht uit de Handelingen der Wetgevende Magt (1857). — Mr. S. Gratama Hzn., Wet tot regeling der jacht en visscherij (1905). De eenige verdienste van den derden druk van dit werk boven den tweeden, behalve de bijwerking van de aanteekeningen, bevattende de jurisprudentie tot den laatsten tijd, is gelegen in het feit, dat de parlementaire bescheiden betreffende het tot stand komen van de wet van 1857 er in een handiger vorm zijn opgenomen dan in de „Handelingen" en de „Bijlagen". De waarde van den arbeid wordt echter sterk verminderd, doordat die bescheiden er niet in zijn verwerkt met die van 1852, die ongetwyfeld ten aanzien van de groote quaesties van jachtrecht van veel meer belang zijn. De schrijver heeft over het hoofd gezien, dat niet in 1857, maar in 1852 de beslissing in de groote vragen van jachtrecht is gevallen.

Sluiten