Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

belemmerde hem in den wildoo^. In het bijzonder een optreden van den wetgever tegen de jacht, een streven om den wildstand zooveel mogelijk uit te roeien, was evenwel niet de bedoeling van de ontwerpers; zij wilden alleen intrekking van de bijzondere zorg en bescherming voor en van de jacht en het jachtbedrijf. Hun streven was er daarom op gericht het begrip „jacht" in den tegenwoordigen zin uit de wetgeving te doen verdwijnen en in de plaats daarvan eene quasi nieuwe jachtwet in het leven te roepen, in dezen vorm, dat slechts strafbaar zou zijn het ongeoorloofd betreden en het ongeoorloofd gewapend betreden van eens anders grond en het schieten of vangen van dieren op gronden van derden. Dit jachtrecht, indien men althans dit recht nog jachtrecht kan noemen, zou bij uitsluiting van ieder ander toekomen aan den grondeigenaar.

Van alle zijden werd het ontwerp heftig aangevallen en reeds in het Voorloopig Verslag bleek, dat het ontwerp niet in den geest der Kamer was. Toen dan ook tijdens de openbare beraadslagingen de Minister van Justitie zich tegen het ontwerp verklaarde, was zijn lot beslist. De Minister Van Lijnden van Sandenburg meende, dat de hoofdfout in het voorstel was, dat „het strijdt met elk begrip, met alle beginselen van eene goede en duidelijke wetgeving en dat het niet aangaat, om in eene bestaande wet een met het overige zamenhangend gedeelte uit te ligten en in te trekken en als het ware in denzelfden adem te verklaren dat een deer daarvan weder wordt in het leven geroepen" ').

Met 35 tegen 29 stemmen werd artikel 1 van het wetsontwerp der drie heeren verworpen 2), die daarop hun voorstel introkken; sedert dien werd geene poging in wetsvorm meer gewaagd, om de jachtwet van 1857 te vervangen.

1) Handelingen 1875—1876, bl. 1461.

2) Handelingen 1875—1876, bl. 1462.

Sluiten