Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van particulieren, in het recht van iedereen, om de niet gereserveerde gronden van derden te bejagen, in de niet erkenning van een bevoorrecht occupatierecht van den eigenaar van den grond, zit de hoeksteen van den strijd tusschen het stelsel in quaestie en onze rechtsbeschouwingen. Het druischt zoozeer in tegen de hier gevormde gebruiken, dat ieder zonder meer op gronden van derden tot uitoefening van de jacht zou moeten geduld worden, dat een formeele strijd daarvan het gevolg zou zijn; de volksgeest zou zich te zeer kanten tegen zoo'n beperking van het vrije genot en het volstrekte beschikkingsrecht van den eigenaar van den grond. In het bijzonder op dezen grond kan het publieke jachtveld-stelsel nooit de basis vormen voor eene toekomstige wettelijke regeling van het jachtrecht.

Verdient het dan aanbeveling, om de regeling van het jachtrecht te blijven opbouwen op het grondeigendomsj ach tr echt-stelsel en mitsdien slechts in eene wijziging der thans geldende jachtwet heil te zoeken? Aan dit stelsel kleven drie groote gebreken, die het, om zoo te zeggen, dadelijk veroordeelen.

In de eerste plaats is ook in dit stelsel niet voldoende gezorgd voor de belangen van den wildstand, ja, het is misschien niet gewaagd, om te zeggen, dat de waarborgen voor het behoud van den wildstand nog zwakker zijn dan in het vorige stelsel. Wat toch is het geval ? In dit stelsel heeft de eigenaar zelfs van het kleinste stukje grond het recht, om op dien grond te jagen, mits hij in het bezit is van eene jachtacte. Juist die geringe oppervlakte van de eigendommen werkt den achteruitgang en zelfs op den duur den ondergang van den wildstand onafwendbaar in de hand. Het kan niet uitblijven, of het jachtrecht ontaardt op zulke kleine perceelen in een doodingsrecht; indien toch de eigenaar maar in het minst van zijn jachtrecht gebruik maakt, schiet hij in minder dan geen tijd alles neer, wat aan wild op zijn grond aan-

Sluiten