Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1902 gaf van de positie van den strooper in het milieu, waarin hij leeft, is te dien opzichte teekenend en, wat meer zegt, zeer begrijpelijk. „Gewoonlijk," zoo zeide deze afgevaardigde, „kan men waarnemen, dat een strooper in de buurt, waar hij woont, niet minder wordt geacht: integendeel, een gloriekrans schijnt hem te omstralen naarmate hij meer met het gerecht in aanraking is geweest. De strooper is geen geminacht persoon." In de landen, die het grondeigendoms-jachtrecht-stelsel hebben omhelsd, verkeert de strooperij overal in een toestand van grooten bloei, zij neemt eer toe dan af; meer dan ooit is zij dan ook thans eene

question brülante geworden.

Aan het vraagstuk der strooperij moet eene niet geringe beteekenis worden toegekend; in meer dan één opzicht is die strooperij een kwaad, dat met hand en tand moet worden bestreden. In de eerste plaats (aangezien dit nadeelige gevolg zich aansluit bij het eerste, hierboven ontwikkelde bezwaar tegen een jachtrecht als gevolg van den grondeigendom) is de strooper de gevaarlijkste vijand van den wildstand. Met alle mogelijke middelen, liefst met verbodene, vervolgt hij bij nacht en ontijden, uiteraard zich niet bekommerende om eene „waidmannische uitoefening dei jacht, het wild tot in zijne donkerste schuilhoeken. De gevolgen hiervan voor den wildstand laten zich denken. Indien het° mogelijk ware eene statistiek samen te stellen omtrent de hoeveelheid wild, die door stroopershanden valt, en indien deze dan vergeleken werd met eene statistiek van het met in achtneming van de wettelijke bepalingen op het stuk van de jacht gedoode wild, zou de eerste zonder eenigen twijfel een eerbiedwaardig cijfer aanwijzen.

Maar niet alleen voor het behoud van een matigen wildstand werkt de strooperij uiterst verderfelijk; zij heeft bovendien een maatschappelijk-demoraliseerend karakter. De stroopers komen in den regel voort uit de onderste lagen der maatschappij, het zijn meestal lieden, die voor niets staan en die

Sluiten