Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blijven. Niet met repressieve maar slechts met preventieve middelen kan de strooperij doeltreffend worden bestreden en zulke preventieve middelen zoekt men in het grondeigendoms-jachtrecht-stelsel te vergeefs.

De derde leemte ten slotte, die het grondeigendoms-jachtrecht-stelsel veroordeelt, is het feit, dat eene deugdelijke oplossing van het wildschade-vraagstuk in dit stelsel uiterst lastig en ingewikkeld, zoo niet onmogelijk is. Het is hier de plaats niet, om in te gaan op de ontelbare verwikkelingen, die het wildschade-vraagstuk in zich verbergt; alleen zij opgemerkt, dat de eenige vraag, die de wildschade-regeling feitelijk tot een zoo bij uitstek lastig vraagstuk maakt, deze is: wie is de tot vergoeding der door wild aangerichte schade aansprakelijke persoon? En juist tot het oplossen van deze vraag moet het grondeigendoms-jachtrecht-stelsel zich onmachtig verklaren: ontelbare processen en chicaneuze vorderingen zijn van die onmacht het onafwendbare gevolg. Eene wildschade-regeling is volstrekt onontbeerlijk, maar indien zij ondeugdelijk is en leemten inhoudt, is zij nog veel verwerpelijker dan haar totaal ontbreken; zij moet dan eene bron van groote ellende worden.

Al deze bezwaren zijn het onvermijdelijke gevolg van eene jachtrechts-regeling, waarbij de grondeigenaar als zoodanig gerechtigd is tot jacht op zijn grond, en deze bezwaren zijn van dien aard, dat zonder nader betoog mag worden aangenomen, dat het tweede stelsel evenmin als het eerste de basis kan vormen voor eene toekomstige regeling van het jachtrecht.

Moet dan in het derde, het jachtcomplexen-stelsel het uitgangspunt voor eene nieuwe regeling worden gezocht? Bij het zoeken naar eene oplossing voor deze vraag komen mij onwillekeurig de waarschuwende woorden van den Franschen Minister van Landbouw M. L. Mougeot weer voor den geest, die, sprekende over de al of niet moge-

Sluiten