Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jagdrecht hat' '). Het is geene andere reden dan de vrees, om er rond voor uit te komen, dat men ten aanzien van het jachtrecht breekt met het groote beginsel, dat de revolutie in haar vaandel had geschreven: de vrijheid van den grondeigendom. Het complexen-stelsel toch vormt, in zekeren zin althans, een afwijken van dat beginsel, het slaat weer een band om den grondeigendom, die, hoewel natuurlijk niet te vergelijken met de middeleeuwsche kluisters van het heerlijke jachtrecht, toch onmiskenbaar een band vormt; het onderwerpt den eigendom aan maatregelen, waarvan de Fransche landbouw-minister zeide, dat zij „sont parfois bien sévères" en „pas en harmonie compléte avec nos moeurs démocratiques".

Indien onder jachtrecht verstaan wordt het recht op de vruchten van de jacht, dan verdwijnt voorzeker voor een groot deel het parade-karakter van de gewraakte artikelen, hoewel natuurlijk geen enkele Nederlander zal begrijpen, indien het niet uitdrukkelijk er bij gezegd wordt, dat hij, die het jachtrecht heeft, juist als regel niet mag jagen. Er is echter meer; indien aan het begrip jachtrecht de beteekenis wordt toegekend van recht op de economische voordeelen uit de jacht, dan moet natuurlijk in de samenvoeging „uitoefening van het jachtrecht" weer eene andere beteekenis aan den term jachtrecht worden toegekend, wat, op zijn zachtst uitgedrukt, eene inelegantie heeten en tot groote verwarring aanleiding geven moet.

Ziet men echter tegen deze dubbele inelegantie niet op, dan, ja dan vervallen de bezwaren tegen het eerste artikel der onderscheidene wetten. Evenwel nog niet in alle. De wet van Starkenburg en Oberhessen is op dit punt een toonbeeld van verwarring. Gaan de andere jachtwetten, waarin het complexen-stelsel is neergelegd, uit van eene onderscheiding tusschen jachtrecht en recht tot uitoefening

lj Senatsentwurf t. a. p. bl. 21.

Sluiten