Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als zoodanig, maar dezen eenvoudig als ingezetene der gemeente een hoofdelijk deel der baten uit de jacht ten goede komt, artikel 1 der Hessische jachtwet bestaanbaar is, mag op zijn minst genomen een raadsel heeten.

De geheele onderscheiding tusschen jachtrecht en recht tot uitoefening der jacht berust op het streven om, het koste wat het wil, met de terminologie van het burgerlijk recht in overeenstemming te blijven. Daardoor moet zij onverstaanbaar worden. In het gewone spraakgebruik is jachtrecht het recht om te jagen, het recht dus om door mechanische handelingen zich het dominium te verschaffen over bepaalde soorten van res nullius. Dit was ook de beteekenis, die het aan den grondeigenaar toegekende recht had in de wettelijke regeling van het jachtrecht in den revolutietijd en eveneens in den C. N. en het B. W. Indien eene bepaling als in de onderscheidene Duitsche en Oostenrij ksche wetten voorkomt, ook in eene Nederlandsche jachtwet op complexen-grondslag werd neergeschreven, ten einde die nieuwe wet aan te passen aan artikel 641 B. W., dan zou daarvan het gevolg zijn, dat, om die aanpassing reëel

te maken, aan de woorden „het regt om zich het wild

toe te eigenen behoort, bij uitsluiting, aan den eigenaar van den grond" eene beteekenis werd toegekend, die geheel verschilt van hetgeen bij het ontstaan van het artikel bij den wetgever heeft voorgezeten en van de beteekenis, die ook steeds is aangenomen. Bovendien zou in dat geval zoowel in artikel 641 B. W. als in het nieuwe artikel der jachtwet aan de begrippen toeeigenen en jachtrecht eene beteekenis moeten worden gehecht, die ze in de Nederlandsche taal nooit bezitten.

Een artikel in eene jachtwet op complexen-grondslag, waarbij het jachtrecht wordt toegekend aan den eigenaar van den grond, is verwerpelijk, omdat het eene onjuiste beteekenis geeft aan den term jachtrecht en leidt tot de nietszeggende en verwarring stichtende onderscheiding tus-

Sluiten