Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gadering zouden hebben. Zoo ook hier. Artikel 641 B. W. kent den grondeigenaar het recht toe, om zich bij uitsluiting van ieder ander het wild op zijn grond toe te eigenen. Indien nu eene wettelijke complexen-regeling tot stand komt, waarbij voor den grondeigenaar slechts een burgerlijk recht op de economische voordeelen uit de jacht overblijft, is daarnaast voor de mechanische toeeigening van artikel 641 B. W. geene ruimte meer; juist immers de tegenzin tegen de toeeigening door den grondeigenaar, bedoeld in artikel 641 B. W., is het voornaamste kenmerk der complexen-regeling en vormt den feitelijken grond van haar ontstaan.

De gevolgtrekking is dus, dat naast artikel 641 B. W. een artikel zal moeten worden opgenomen, dat handelt over het toeeigeningsrecht op wild. Dit nieuwe artikel zal zoo vaag moeten luiden als artikel 715 C. N. en niets meer inhouden dan de verklaring, dat het recht, om zich het wild toe te eigenen, bij uitsluiting toekomt aan dengene, die daartoe door de jachtwet wordt aangewezen.

Welke gronden moeten in de nieuwe complexen-regeling te zamen de complexen vormen? In de Duitsche en Oostenrij ksche wetten is, zooals wij boven zagen, als beginsel vooropgesteld, dat de territoiren der gemeenten tevens dejachtcomplexen vormen. Moeten die gemeente-grenzen door den Nederlandschen wetgever worden overgenomen?

De complexen-regeling gaat uit van het beginsel, dat eene economische uitoefening der jacht, eene uitoefening dus, die rekening houdt met de belangen van den wildstand, slechts mogelijk is op terreinen, die met het oog daarop zijn gevormd. Aan dit doel, de vorming van economische jachtgebieden, dachten de buitenlandsche wetgevers reeds niet meer, toen zij de gemeenten naar voren drongen, om te dienen als uitgangspunt voor de complexen-regeling.

In de eerste plaats de grootte. Het geval doet zich uiteraard

15

Sluiten