Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

brengt onmiddellijk de vraag met zich, hoe de jachtcomplexen dan wél moeten gevormd worden. De eischen, waaraan in verband met het doel der complexen-regeling jachtgebieden moeten voldoen, zijn zoo bijzonder, dat het ten itoii van geen der thans bestaande publiekrechtelijke lichamen daarvoor als basis kan worden gebruikt; eene nieuwe teiritoriale indeeling van het Rijk is daarom onvermijdelijk. Hoe moet deze indeeling echter geschieden? Een aanknoopingspunt in eenige buitenlandsche wet bestaat daarvoor,

zooals wij zagen, niet.

In de eerste plaats zou zich een stelsel laten denken, waarbij de onderscheidene provinciën door een der provinciale organen worden ingedeeld in jachtcomplexen. Toch pleit meer tegen dan voor deze oplossing, daar de vorming van economische jachtgebieden onder haar niet voldoende gewaarborgd is. Welke eischen moeten toch aan een economisch jachtterrein gesteld worden? Met den eersten, voor de hand liggenden eisch, dat een jachtcomplex ten minste eene bepaalde oppervlakte moet hebben, kan bij eene provinciesgewijze indeeling natuurlijk rekening gehouden worden. Maar met de tweede voorwaarde — de grootste struikelblok ook voor de gemeentelijke jachtcomplexen —, een met het oog op de uitoefening der jacht regelmatigen vorm, loopt eene indeeling der verschillende provinciën in jachtgebieden vast. Indien jachtcomplexen worden gevormd door provincies-ge wij ze verdeeling, moet noodzakelijkerwijze öf de ingewikkelde enclave-regeling weer te hulp komen, öf de wetgever is genoodzaakt, om aan de grenzen der provinciën complexen te dulden, die eigenlijk niet voldoen aan alle eischen, die volgens de grondslagen der wet aan jachtcomplexen moeten gesteld worden.

Al deze moeilijkheden worden echter voorkomen, indien het geheele landsterritoir hetzij door de wet, hetzij door de Kroon bij algemeenen maatregel van bestuur wordt verdeeld in jachtcomplexen. Van deze beide organen is het

Sluiten