Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zakelijk is, en deze noodzakelijkheid is aanwezig, waar eene economische uitoefening der jacht onmogelijk is: op de kleine eigendommen.

Yan het burgerlijke recht van den grondeigenaar, om zich bij uitsluiting de op zijn grond in het wild levende dieren toe te eigenen, blijft onder het complexen-stelsel slechts een recht op de geldelijke voordeelen uit de jacht over. Het recht om zich door mechanische.handelingen het wild toe te eigenen komt den grondeigenaar als zoodanig niet meer toe. Daarmede zinkt feitelijk voor een groot deel het motief, dat de Duitsche en Oostenrijksche wetgeving tot de erkenning van privatieve jachten bracht, weg. Bestaat er nu voldoende reden, quod est demonstrandum, dat de groote grondeigendommen desniettemin eene bijzondere positie innemen, dan is de eigenaar niet krachtens zijn eigendomsrecht bevoegd tot jachthandelingen op zijn grond, maar krachtens de jachtwet, het is een publiek recht geworden.

Zijn in een jachtcomplexen-stelsel op publiekrechtelijken grondslag privatieve jachten in overeenstemming met het uitgangspunt der wet? Aan twee der voorwaarden, die aan een doelmatig ingericht jachtveld moeten gesteld worden, voldoen de privatieve jachten ongetwijfeld, althans de wet kan te dien aanzien genoegzame voorwaarden stellen. De eerste dezer eischen is de minimum-oppervlakte, die immers door de onderscheidene wetgevers naar gelang van de plaatselijke omstandigheden wordt geregeld, en de tweede, dat deze minimum-oppervlakte niet wordt bereikt door de optelling van de oppervlakten van verschillende verspreid liggende gronden, maar in samenhang. Deze eischen liggen ook geheel in de lijn van het complexen-stelsel. Indien toch de eigenaar van verstrooid bezit, dat te zamen eene bepaalde minimum-oppervlakte heeft, eigen jager op die onderscheidene brokstukken zou kunnen zijn, dan zouden al de nadeelen, die verbonden zijn aan het grondeigendomsjachtrecht-stelsel, zich met volle kracht doen gevoelen.

Sluiten