Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het geheele Rijk wordt verdeeld in jachtcomplexen, maar het spreekt van zelf, dat niet ieder jachtgebied in zijn geheel bejaagbaar terrein vormt. Bepaalde gedeelten der complexen moeten, hetzij om de daaraan gegeven bestemming, hetzij om andere redenen daarvan uitgezonderd worden.

Het zal wel geene nadere toelichting vereischen, dat in de eerste plaats van het bejaagbaar terrein moeten worden uitgezonderd de bebouwde kommen der gemeenten. Het behoeft geen betoog, dat, vooreerst wegens gebrek aan jachtobjecten, maar nog meer in het bijzonder om redenen van openbare veiligheid, de jacht in die bebouwde kommen eenvoudig ondenkbaar is.

In de rede ligt het evenzeer, dat uit het voor de jacht bestemde terrein moeten worden uitgeschakeld de openbare wegen, wandelplaatsen, speelplaatsen en parken. Op de openbare en vaak zeer druk bezochte wandelplaatsen, die men rondom vele van onze steden en dorpen aantreft, is de jacht met schietgeweer om dezelfde redenen als in de bebouwde kommen onbestaanbaar. Het wild is op zulke plaatsen trouwens uitermate schaarsch, en, indien zich dan nog eens een enkel exemplaar vertoont, staat de daar toegebrachte schade in geene verhouding tot de kleur, die het aan het landschap geeft. Ook het vangen van lijsters in strikken en dergelijke jachthandelingen moeten op die wandel- en speelplaatsen niet toegelaten zijn, ook al brengen zij geene gevaren voor de openbare veiligheid mede. Daar althans moet het wild eene vrijplaats kunnen vinden.

Van het jachtgebied moeten ook uitgezonderd zijn alle vestingwerken en fortificaties. Ten aanzien van deze werken

en meester is. De drager van de Nederlandsche Kroon moet niet gedwongen zyn de jacht te pachten en daardoor de kans te loopen, dat hij gedurende een aantal jaren van alle jachtrecht verstoken blijft. Eene andere oplossing ware eenvoudig ondenkbaar en ook niet er op berekend, om den glans van de Kroon te verhoogen.

Sluiten