Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en waar van wildschade hier ten eenen male geen sprake kan zijn, bestaat niet de minste reden, om de zorg van de wet toch over deze gronden uit te strekken. Noch om het belang van den wildstand, noch om eenig ander algemeen belang bestaat hier eenige reden om het volstrekte beschikkingsrecht van den eigenaar te beperken.

Van den eigenaar, niet alleen van den grond, maar — en juist daarin zit het zwaartepunt der uitzondering — evenzeer van de op dien grond zich bevindende dieren, ten aanzien waarvan de grond mag gezegd worden gevredigd te zijn. Hoe toch gaan in het wild levende dieren over van den toestand van res nullius in dien van voorwerp van eigendom? Evenals alle andere res nullius door occupatio, door iedere handeling van toeeigening, door iedere daad, waardoor de dieren hunne natuurlijke vrijheid van beweging verliezen en in de macht van een bepaald persoon worden gebracht. Door de vrediging van een terrein, zoodat de zich daarin bevindende dieren niet kunnen uitbreken, verliezen deze hunne natuurlijke bewegingsvrijheid en daarmede de hoedanigheid van res nullius.

Het zuiverst treedt de bijzondere positie van een gevredigd terrein aan het licht, indien wij nagaan de ten aanzien van de zich daarin bevindende dieren gepleegde delicten. Eene daad van toeeigening, door een daartoe niet gerechtigde ten aanzien van de in een gevredigd terrein zich bevindende dieren gepleegd, vormt toch geen jachtdelict, aangezien deze alleen kunnen gepleegd worden ten aanzien van jachtobjecten, van res nullius, maar diefstal of poging tot diefstal. De Nederlandsche jurisprudentie stelde zich dan ook, telkens als zij geroepen werd, om uitspraak te doen over deze of soortgelijke quaesties, steeds op het standpunt, dat de rechtspositie van een zoo omgeven terrein deze is, dat het, wat het loopend wild betreft, geheel is onttrokken aan de heerschappij der jachtwet. In haar vonnis van 10 Februari 1904 W. v. h. R. 8079 overwoog de

Sluiten