Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rechtbank te Zutphen, „dat herten en reeën, die zich bevinden in een geheel zoodanig omheind park, dat zij daaruit

niet kunnen ontsnappen, niet zijn wild, maar het eigendom van den eigenaar van het park." Deze zelfde gedachte lag ook ten grondslag aan de vonnissen van de rechtbank te Zutphen van 20 December 1905 W. v. h. R. 8387 en te 's Hertogenbosch van 30 September 1902 P. v. J. 1902 N°. 195, waarbij werd overwogen, dat visschen in een vijver, die met geen ander water in verbinding staat, althans niet met zoo'n water, dat de visschen daaruit kunnen ontsnappen, de eigenschap van res nullius missen en het eigendom zijn van eigenaar van den vijver.

Onderscheidenen buitenlandschen wetgevers is het vraagstuk der gevredigde gronden te machtig geworden. Zeer onlogisch wordt door hen een onderscheid gemaakt tusschen wildparken en andere gevredigde terreinen, zóó gevredigd, dat ook daar geen wild kan in- of uitbreken. De wetgevers van de meeste Oostenrijksche kroonlanden hebben zich alleen bezig gehouden met de wildparken, althans in zooverre, dat zij de andere gevredigde gronden niet in eene bijzondere positie brengen, maar ze gewoonweg deel laten uitmaken van het jachtveld in het gemeente-jachtcomplex. Hierin ligt eene onmiskenbare juridische ketterij. Niet het doel der vrediging: het scheppen van een wildpark is in casu een juist criterium en toch is dat de spil, waarom de Oostenrijksche bepalingen draaien. De afsluiting, de vrediging zelf is voor hen iets bijkomstigs, waaraan voorzeker moet voldaan zijn, wil er van een eigen jachtveld sprake kunnen zijn, maar dat toch niet de toonaangevende factor is.

De rechtspositie van een gevredigd wildpark is geheel dezelfde als die van ieder ander gevredigd terrein, namelijk, dat het, wat de dieren betreft, ten aanzien waarvan het terrein gevredigd is, is onttrokken aan de inwerking van de jachtwet; ten opzichte van deze dieren kunnen geene jachthandelingen op de gevredigde gronden plaats vinden,

16

Sluiten