Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van hij reeds eigenaar is geworden volgens de regels van het burgerlijk recht.

Het eenige juiste standpunt, dat de Nederlandsche jachtrechts-regeling dan ook zal moeten innemen, is, dat den eigenaar van een gevredigd terrein niet meer een jachtrecht wordt toegekend, maar dat eenvoudig de gevredigde terreinen worden uitgeschakeld uit het jachtgebied der complexen en onttrokken aan de bepalingen der jachtwet. Wel is waar krijgt dan de eigenaar ten aanzien van het vliegend wild, dat res nullius is gebleven, een algemeen doodingsrecht, hetgeen, theoretisch althans, strijdig is met de grondslagen van het complexen-stelsel, maar de practische bezwaren daartegen zijn van zoo weinig belang, dat de uitzonderingsbepaling zonder twijfel verdedigbaar is. Kent men den eigenaar van een gevredigd terrein bovendien dit recht niet toe, dan brengt men weer een lastigen factor in de wildschade-regeling en het voordeel, dat het gevolg is van eene zoo eenvoudig mogelijke oplossing van het wildschadevraagstuk, weegt dubbel en dwars op tegen de vrij denkbeeldige nadeelen, verbonden aan de boven beschreven conclusie.

In sommige wetten wordt ook eene uitzondering gemaakt ten behoeve van de tegen den mensch gevredigde gronden. Oppervlakkig beschouwd pleit voorzeker wel iets voor deze uitzonderingsbepaling, maar bij nadere beschouwing kan de conclusie niet anders luiden, dan dat zij dien wetgevers te kwader ure uit de pen is gevloeid. Te kwader ure, want daarmede gaven zij eene zijde van hun met zooveel zorg opgezet stelsel bloot. Indien bij afsluiting van erven alleen op eene vrediging tegen menschen wordt gelet, doet zich daar weer met volle kracht een euvel, verbonden aan het grondeigendoms-jachtrecht-stelsel, gevoelen. De afsluiting tegen menschen heeft met den toestand van den wildstand noch in, noch buiten het gevredigde terrein iets te maken en kan dus buiten beschouwing gelaten worden. De mogelijkheid

Sluiten