Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pachters tegelijk zijn. De grond voor deze bepalingen is volmaakt dezelfde en is niets anders dan het doortrekken van de gedachte, die als een roode draad door het geheele stelsel loopt.

In verschillende buitenlandsche wetten wordt het bestuur van het jachtcomplex bij de verpachting der jacht gebonden door eene regeling van den minimum- en maximum-duur van den pachttijd. Het laat zich niet ontkennen, dat er verband bestaat tusschen den duur van den pachttijd aan den eenen- en de belangen van den wildstand en van de eigenaren in het complex aan den anderen kant. Bij een te korten duur van den pachttijd toch bestaat de mogelijkheid, * dat de pachter zal trachten in dien korten tijd eene zoo groot mogelijke winst uit zijne pacht te slaan en zooveel mogelijk wild te schieten m. a. w. roofjacht zal plegen. Daardoor zouden de belangen van den wildstand wel eens deerlijk in het gedrang kunnen komen. Aan den anderen kant kan het van belang zijn, dat na een bepaald aantal jaren weer eens wordt nagegaan, of niet de wildstand in een jachtcomplex eene rustperiode behoeft; ook kunnen de pachtprijzen blijkens de ondervinding, opgedaan in naburige jachtcomplexen, zoo zijn gestegen, dat bij eene nieuwe verpachting ongetwijfeld eene hoogere pachtsom zal gemaakt worden. Bovendien bestaat in het algemeen eene groote waarschijnlijkheid, dat bij verpachting der jacht voor noch al te korten, noch al te langen duur de hoogste pachtsommen zullen verkregen worden. Is dit punt nu evenwel van zooveel belang, dat het in de wet behoort te worden vastgelegd? Bij eene bevestigende beantwoording dezer vraag lijdt het geen twijfel, of nog veel meer quaesties, die thans alle buitenlandsche wetten zonder onderscheid overlaten aan de pachtvoorwaarden, behooren eene regeling in de wet vinden. Onder hetgeen die wetten toch overlaten aan de pachtvoorwaarden, zijn vraagstukken, waarbij het

Sluiten