Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

belang van den wildstand nog veel meer betrokken is, dan bij den duur van den pachttijd. De lijn, waarlangs de uitwerking van het jachtcomplexen-stelsel zich beweegt, vordert volstrekt niet juist in het bijzonder de opneming van de bepaling in quaestie in de wet, waar bijvoorbeeld een voorschrift, waarbij een waarborg wordt gevestigd, dat in het laatste jaar der pacht geen roofjacht zal worden gepleegd, een feit, waarbij het belang van den wildstand ontegenzeggelijk veel meer betrokken is, niet in de wet wordt opgenomen, maar eenvoudig wordt overgelaten aan de pachtvoorwaarden.

Bij de verpachting der jacht in een jachtcomplex speelt de persoon van den jachtpachter voorzeker eene niet onbeteekenende rol. Het geval laat zich denken, dat de jacht niet aan dengene wordt verpacht, die bij de openbare verpachting het hoogste bod heeft gedaan, omdat deze persoonlijk te weinig waarborgen aanbiedt. Daarom ook verdient het aanbeveling, dat de jachtpachter niemand in zijne plaats kan stellen, hetzij door de jacht weder te verpachten, hetzij door ze af te staan, tenzij het bestuur van het jachtcomplex, dat zich dan eerst weer op de hoogte kan stellen van de persoonlijke hoedanigheden van den derde, deze onderverpachting of afstand billijkt. Artikel 1595 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek moet daarom op het jachtpachtcontract analoge toepassing vinden.

Het is mogelijk, dat het ondanks het ernstige streven van het bestuur van het jachtcomplex niet is mogen gelukken, om onder aannemelijke voorwaarden een pachter voor de jacht op het complex te vinden, terwijl de toestand van den wildstand toch van dien aard is, dat er geene reden is en het met het oog op de wildschade zelfs geene aanbeveling zou verdienen, om er de jacht te laten rusten. In dat geval moet het jachtcomplex bevoegd zijn, om de

Sluiten