Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DUITSCHLAND.

Aan het Reichsarbeitsblatt 1906 (Jahrgang IV. 110. 4. p. 328) zij het volgende ontleend :

Vooraf wordt gemaakt de onderscheiding tusschen :

1. de huisindustriëele hulpkrachten (Gehilfen) d. z. de tegen loon (Gehalt oder Lohn) in bedrijven van huisindustriëelen werkende onzelfstandige personen ;

2. de onzelfstandige huisindustriëelen, die in hun eigen woning werken ;

3. de zelfstandige huisindustriëelen.

Een nauwkeurige onderscheiding tusschen 2 en 3 is moeilijk te treffen; genoemd worden eenige beslissingen in dezen van het Reichsversicherungsamt.

De Gewerbeordnung is toepasselijk op groep 1. De bepalingen over het te werk stellen van kinderen, jeugdige personen en vrouwen, die de § § 135—139 b. der G. O. met het oog op de fabrieken bevatten, zijn volgens § 154 derde lid ook toepasselijk daar, waar mechanische beweegkracht gebezigd wordt (mits niet tijdelijk); huisindustriëele werkplaatsen vallen hier dus ook onder, mits het niet betreft werkplaatsen, waarin de werkgever uitsluitend met tot zijn gezin behoorende personen werkt (§ 154.4).

Toepasselijk ve klaring op andere werkplaatsen dezer bepalingen is in de wet toegestaan door keizerlijke verordening met toestemming van den Bondsraad; zoo de verordening van 31 Mei 1897 (Kais. Verordnung betr. die Ausdehnung der § § 135—139 und der § 139 b der Gewerbeordnung auf die Werkstatten der Kleider- und Wasche-Konfektion vom 31 Mai 1897 R. G. BI. S.459) die (in het bijzonder met het oog op de huisindustriëele bedrijven) gezegde bepalingen toe-

Sluiten