Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

passelijk verklaart op de werkplaatsen, waarin de vervaardiging of bewerking van mannen- en jongenskleeren, van vrouwen- en kinderkleeding, als ook witte en bonte ondergoederen, steeds in 't groot geschiedt, eindelijk op werkplaatsen, waarin vrouwen- en kinderhoeden opgemaakt worden.

Deze verordening is echter niet toepasselijk in werkplaatsen, waarin de werkgever uitsluitend leden van zijn gezin te werk stelt.

In een latere verordening van den Bondsraad van 9 December 1902 (Bekanntmachung des Reichskanzlers, betr. die Einführung von Lohnbüchern für die Kleiderund Wasche- Konfektion vom 9 Dezember 1902 R. G. BI. 295) werden voor voornoemde bedrijven loonboeken voorgeschreven.

Hiertegenover staan de onzelfstandige huisindustriëelen (groep 2); de rechtspositie van deze, of zij n.1. onder de G. O. vallen, is niet duidelijk, daar de G. O. slechts kent „gewerblielie Arbeiter (Gesellen, Gehilfen u.s.w. (Tit. VII)" en „Hausgewerbetreibenden (§1196)"

De Gewerbegerichte en het Landgericht (in hooger beroep) gaven te dien aanzien verschillende uitspraken.

Ten aanzien van de zelfstandige huisindustriëelen bevat de G. O. twee bepalingen :

1. het Truck verbod (§ § 115 tot 119a) wordt in § 1196 uitgestrekt tot personen, „die voor bepaalde bedrijfshoofden buiten de werkplaatsen van deze met de vervaardiging van bedrijfsproducten bezig zijn en ook dan, wanneer zij in de grondstoffen zelf moeten voorzien."

2. is met betrekking tot de bepaling van § 125 (volgens welke een werkgever — die een gezel of hulpkracht tot contractbreuk overhaalt of een gezel of hulpkracht, die contractbreuk pleegde, te werk stelt — tegenover den vroegeren werkgever als medeschuldenaar hoofdelijk aansprakelijk is,) de zelfstandige huisindustriëel gelijk gesteld met den gezel en de hulpkracht.

Sluiten