Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(Bldz. 217— 247.) Eene droomerij in het dennenwoud. — De golf van het levende. — De droom van Jakob. — Over den stamboom des levens. — Plant en dier. — Bij het vliermoedertje. — De pruim. — Hoe de poliep ontstond. — Over de oergeschiedenis van den worm. — Om mani padme, hum! — Vier onomstootelijke waarheden uit het leven der liefde bij den mensch. — Wat de zoetwaterpoliep omverwerpt. — De kwal. — Eene toovergeschiedenis van theekopjes. — Een embryo, dat zich voortplant. — De sociale ontwikkeling van den mensch. — De staatskwal. — Iets over den rattenkoning. — Hoe de staatskwal liefheeft. — Aanteekeningen.

(Bldz. 248—293.) De lintworm. — Het zoölogische begrip der „voedsterteelt" of „teeltwisseling". — Een zwendelaar in de fabrieksinrichting. — De liefdesroman van den lintworm. — Vijftig millioen kleinkinderen. — Eene liefdeshistorie over vier geslachten. — Over de indeeling der wormen. — Het dubbeldier. — De vrouwendrager. — In den galgang van het schaap. — De offerdood eener moeder. — Hoe de kleinkinderen de kinderen vermoorden. — Het taaie tarweaaltje. — De draadworm van de bietenmoeheid. — Het gruwzame einde van het hommelaaltje. — Hoe eene moeder door hare kinderen verslonden wordt. — De philosophie der draadwormen. — De Syngamus in de luchtpijp. — De Bonellia of de kleine man en de groote vrouw. — De bloedzuiger. — Over het hermaphroditisme. — De tegenstelling tusschen man en vrouw, als moment der ontwikkeling.

— Iets naders over de teeltwisseling. — De zeeëgel. — De afgestroopte punthelm. — Het begrip: individu in de zeeëgelhistorie. — Een wezen, dat zich van zich zelf laat scheiden. — De zeester en hare ziel bij de zelfverdeeling. — Moederlijk gevoel. — Aanteekeningen.

(Bldz. 294—313.) Het rijk der weekdieren. — De poëzie van de oester. — De liefdesgeschiedenis van de oester. — Over de liefdepijlen der wijngaardslakken. — De slak als moeder. — De inktvisch. — Een liefdesstrijd. — De afgerukte arm. — Hektokótylus. — Aanteekeningen.

(Bldz. 314—333.) In het teeken van den kreeft. — De planeet van de mier. — Mensch en insect. — Het buikmerg en het ruggehart. — Acht duizend kreeften. — De liefde als hersenzaak. — De wortelkreeft. — Een kreeft, die op zijn kop staat. — Hoe de wortelkreeft tot wortel werd. — De „aanvullingsmannetjes" der rankpootigen.

— De pyramide der parasietkreeften. — Over de pissebed. — De pissebed als kengoroe. —

(Bldz. 334—350.) De herberg, genaamd: „In den doodskop."

— Het conflict tusschen het eten en de liefde. — „Spin, spin, o maagdelijn " — Een rooversleven. — De spinneman in liefdesgevaar. — Over den wonderbaren bouw van den snuit der spin. —

Sluiten