Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

individu, de onuitsprekelijk zalige dood, vrij van smarten, die

elk schepsel met oneindig vurig verlangen zoekt

Ziet gij hier niet telkens nieuwe geestenhanden voor u opstijgen, die op een diep geheim wijzen — niet op een geheim, dat buiten alle werkelijkheid gelegen is, doch juist binnen de tastbaarste natuur ? Een geheim, dat wellicht sterk genoeg zal blijken, om onze kleinkinderen te doen lachen over elke vrees voor den dood ? Ongetwijfeld : er schijnt uit ons beeld der natuurlijke ontwikkeling van de wereld — juist uit dat beeld, op welks volkomen opkomst ons optimisme gegrond is, — een eisch te klinken, die onwrikbaar is als staal. Vernietiging van het individu. Juist boven die vernietiging strekt zich de ontwikkeling uit. En de ziel beeft onder de huiveringen van den doodsangst. Als nu echter de liefde toch eens het zinnebeeld was ? Zij doet ons den eenigen vorm kennen, waaronder de vernietiging niet afschrikwekkend is, waaronder zij een zalig opstijgen in eene hoogere gemeenschap is. Als de dood van het individu nu ook in zijn gevreesden vorm niets anders ware dan eene, verkeerd begrepen, handeling der liefde ? Boven welke, na al het bittere worstelen, ten slotte toch ook de volkomen zaligheid van het levend opgaan in eene hoogere gemeenschap kwam, zooals de liefde die geeft

„Wohl endet Tod des Lebens Not,

Doch schauert Leben vor dem Tod —

Das Leben sieht die dunkle Hand,

Den blanken Kelch nicht, den sie bot.

So schauert vor der Lieb' ein Herz,

Als wie vom Untergang bedroht,

Denn wo die Lieb' erwachet, stirbt Das Ich, der dunkele Despot.

Du, lasz ihn sterben über Nacht Und atme frei im Morgenrot."

(Rückert, naar Rümï, omstreeks 1250 n. Chr.).

Gij kunt dat tegenwoordig nog slechts zien, als door eene scheur in de wolken. Want de nieuwe wereldbeschouwing

Sluiten