Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

evengoed eieren voort, als bijvoorbeeld eene hen. Maar deze eieren worden niet buiten het lichaam „gelegd", zooals die van het hoen; de geheele voorafgaande ontwikkeling 'van het kleine nieuwe menschje heeft geheel en al tot den einde toe in het lichaam van de moeder zelf plaats. Overigens echter ontstaan deze menschelijke eitjes volkomen op dezelfde wijze als die van het hoen aan een afzonderlijk orgaan van het vrouwelijk lichaam : den eierstok. Elke normaal ontwikkelde vrouw heeft, van der jeugd afaan, evenals twee longen, twee nieren, twee hersenhelften, ook twee eierstokken, waaraan zich vele duizenden eieren vormen, waarvan elk op zich zelf, bij voldoende rijpwording en bevruchting, een nieuwen mensch zou kunnen voortbrengen. Voor dit laatste is de bevruchting onvermijdelijk noodig. En juist om die bevruchting, waartoe een tweede menschelijk — en wel een mannelijk — wezen onmisbaar is, mogelijk te maken, ondergaat het ei eigenaardige veranderingen, te midden van wier afwisselenden gang onze verbeelding ons zooeven geplaatst heeft.

Het gewelf, waarin wij ons verplaatst zagen, is (tot ontzaglijke vergrooting gebracht) één der beide zoogenaamde „eileiders" der vrouw. Deze eileiders verbinden de eigenlijke eierstokken met de grootere holle ruimte der baarmoeder.

De bol, die zich daarheen bewoog, is het ei zelf.

In werkelijke grootte zou het zich aan het bloote oog ais een, nog even zichtbaar, puntje voordoen, want de doorsnede is niet grooter dan 0,1 k 0,2 millimeter.

De glasheldere buitenlaag sluit de geelachtige dooiermassa in. In deze hoofdmassa drijft het zoogenaamde „k ie inblaas j e", waarin zich in den aanvang nog eene afzonderlijke „kiem vlek" bevindt. Wij moeten ons voorstellen, dat dit eitje zich reeds van den eierstok heeft afgescheiden, waaraan het tot nogtoe als een knopje bevestigd was, besloten in een bijzonder omhulsel: het „Graafsche blaasje of follike 1".

Sluiten