Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genot, dat aan dat proces voorafgaat, spoorloos voorbij, maar daaruit wordt een nieuwe mensch geboren. De ouders zijn wellicht dertig jaren oud. Zij kunnen misschien negentig jaren worden, maar dan treft hen de dood. Ook de nieuwe mensch, dien zij voortgebracht hebben, moge de volle negentig bereiken. Hij blijft dus dertig jaren langer leven, na zijne voorgangers. En als hij, gedurende zijne negentig levensjaren, opnieuw een mensch heeft voortgebracht, zoo zal de dood weer gedurende een zekeren tijd op de aarde door het levende overleefd worden.

Door deze eenvoudige rekensom heft de voortplanting den dood, althans in zijne gezamenlijke werking, op.

In plaats van met de eerste doodenhekatombe van de eerste eeuw reeds in den eeuwigen afgrond te storten, heeft de voortgebrachte nieuwe generatie op de voortbrengende telkens tijdelijk een kleinen voorsprong, waarlangs de menschheid, als eene taaie slingerplant door de duizenden jaren opklimt.

Voor deze beide grondbeginselen — dood en voortplanting — staat de mensch reeds, zoolang hij slechts denken kan. De aapmensch, zooals Gabriël Max 10) dien geschilderd heeft, met het eerste ontkiemende vonkje van intellectueel licht onder de nog dierlijk opgezette we'nkbrauwuitsteeksels, heeft daarvan misschien reeds een eerste onbestemd voorgevoel gehad. De ruwe holenmensch, die jacht maakte op den mammoet en het megatherium 11), begon hier het eerst over te peinzen. Van hieruit ontspon zich de mythe tot in het oneindige. Maar daarheen trok ook, als tot den magnetischen berg, elke diepere en grootere denker, die, in den dienst der waarheid, de hersenen der menschheid een eind hooger wist op te heffen, telkens en telkens weer terug. En de eenvoudigste man begreep dezen wijze altijd weer volkomen, juist wegens de eenvoudigheid dezer gronddenkbeelden. Onder het schemergroene, op zwarte wortelzuilen rustende baldakijn van den heiligen vijgenboom aan den Ganges, die de wereld als een levenden tempel afsloot. Bij

Sluiten