Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

achterkleinkinderen voortbrengen. Alles op deze aarde, onder deze zon, die aan onze oudste voorvaderen, van welke nog berichten tot ons gekomen zijn, reeds bodem, warmte en licht verschaft hebben. Op de eeuwige aarde, — onder de eeuwige zon: — de eeuwige mensch, steunende op het mysterie der liefde, dat hem onsterfelijk maakt.

Maar al is ook deze beschouwing op zich zelf oud, zoo staat van haar in elk geval zooveel vast, dat z ij, hoe meer wij onzen tijd naderen, steeds jonger, steeds levenskrachtiger geworden is. Trouwens, gepaard met eene zekere wijziging en verbetering. Dit toegegeven zijnde, schijnt het alsof hier de wolken steeds meer en meer uiteen zijn gevloeid.

É é n e vraag moest echter ook hier tusschen beiden komen.

Eeuwige menschheid !

Eeuwige aarde, — eeuwige zon !

Bestaat er in onze moderne beschouwing in het algemeen nog iets, dat wij oris eenvoudig als „eeuwig" kunnen voorstellen?

De oudheid zag terug op een paar honderd jaren der menschheid. Haar blik drong, binnen het groote leven der menschheid, nog niet eens door tot voorbij den oorsprong der beschaving. De tegenwoordige natuuronderzoeker echter legt uwe hand op dat brok bruine, door de golven gespleten, rots daarginds. Deze rots dagteekent uit een tijd, toen er nog geen menschen bestonden. ... En de geheele aarde ? Is ook niet de aarde voor ons maar een betrekkelijk begrip ? Een lichtstofje, dat uit de diepte van het verledene opdwarrelt, schittert, verduistert, „leeft" en weer wegwaait? Is niet de „eeuwige zon" een droom, die uitgedroomd is, sedert wij weten, dat alle vaste sterren zonnen zijn en dat ook over zulke vaste sterren de roode herfst neerdaalt als over een eikenwoud op aarde, dat zij door beroeringen getroffen worden, die haar doen opvlammen als een jonge eik, die door het hemelvuur verteerd wordt, en dat de ijskoude wereldruimte haren innerlijken gloed weer opzuigt, totdat zij verstijfd zijn door winterkoude ?

Bolsche, Liefde i. d. Natuur, I, 2e druk. 6

Sluiten