Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staan deze buideldieren en vogelbekdieren tot de apen en de aapachtige zoogdieren ongeveer in dezelfde verhouding, als deze laatsten tot het hoogst ontwikkelde dier: den mensch. Zij staan op eene sport lager in hun beenderstelsel, in hunne hersenen en in de wijze, waarop zij de jongen vóór de geboorte tot rijpheid laten komen.

In deze periode der buideldieren en vogelbekdieren, die ongeveer samenvalt met het tijdperk der Ichthyosauriërs, bestaan er evenmin menschen, als in het bewuste oude tropische apenwoud. Maar er bestaan ook nog geen apen. Waarom zou nu niet het wezen, dat later aap en eindelijk mensch was, destijds den vorm van een buideldier en een vogelbekdier gehad hebben ?

En zoo gaat het steeds verder terug.

Er komen tijdperken, uit welke ook niet het geringste overblijfsel van een vogelbekdier of buideldier, in het algemeen zelfs niet meer van eenig zoogdier, tot ons gekomen is. In den oceaan wemelde het echter toen reeds van ontelbare visschen. Het wezen, dat later op het land leefde, door longen ademde en zijne jongen zoogde, en dat door ons vogelbekdier genoemd wordt: moet in deze dagen kieuwen aan den hals en vinnen aan het lichaam gedragen hebben, want de geheele aarde was toen met water bedekt en voor de ademhaling van luchtdieren was de atmosfeer niet geschikt. Vogelbekdier, buideldier, aap en mensch waren destijds in aanleg aanwezig in den visch.

Aan het Cambrische strand eindelijk, waar onze kennis een einde neemt, waren zij waarschijnlijk nog worm, een dier, dat in zijn lichaamsbouw nog weer ver beneden den visch staat, — als het ware een nog veel eenvoudiger grondplan voorstelt, dat in den visch reeds een heel eind verder in samengesteldheid was gevorderd.

Deze gedachtengang wordt, in eenvoudige grootheid, voor ons inwendig oog tot eene reeks opgebouwd. Nooit bestond er eene gaping in de schakel der liefde tusschen den Cambrischen worm en den hedendaagschen mensch. Eene onbe-

Sluiten