Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zooveel is thans echter zeker, dat er eene zekere verwantschap bestaat tusschen de koolstof en de overige elementen, ook uit de anorganische wereld, en wij kunnen dus ook in het algemeen zeggen, dat in deze wereld reeds in de oudste tijden het beginsel van het „leven", als eene gemeenschappelijke eigenschap der elementen, in zekere mate was neergelegd. De koolstofwereld, die voor ons zichtbaar is en van wier ontwikkeling ons de reeks bekend is, die uitgaat van den bacil en eindigt in den mensch, kan men zich voorstellen als slechts ééne der tallooze mogelijke hoogere ontwikkelingsreeksen. Men kan zich denken, dat de lijn, die met den bacil begon, toen de aarde voldoende afgekoeld was, reeds als ontwikkelingsvorm was ontstaan uit andere, vroegere levenslijnen, die bij de roodgloeihitte konden bestaan, natuurlijk gebonden aan stoffen, welke bij zulk eene hitte onontleed konden voortbestaan. En zoo verder terug. Ons geheele zoogenaamde „leven", met zijne bepaalde celstof, het protoplasma, als draagster daarvan, zou dan slechts een „aanpassingstoestand" aan eene bepaalde temperatuur zijn.

Om u hiervan een helderder denkbeeld te vormen, moet gij u vooraf volkomen rekenschap geven van hetgeen men onder „leven" heeft te verstaan en moet gij duidelijk begrijpen, welke van de zichtbare levensverschijnselen van den bacil behooren tot de bedoelde algemeene levensbeginselen, die reeds in den eersten aanvang van de stoffelijke wereld of, wil men, van de koolstof, in de materie weggelegd waren en welke niet. Dit is practisch het ingewikkeldste gedeelte

BöLSCHE, Liefde i. d. Natuur, I, 2e druk. 9

Sluiten