Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het geheele vraagstuk, want het is het moeielijkste om uit te maken, zelfs in de bestaande levende wereld.

Moet men bijvoorbeeld de „gewaarwording", het bestaan van „bewustzijn", van eene „ziel", als zulk eene basis, als eene grondeigenschap der materie beschouwen, als eene eigenschap dus, die reeds bij voorbaat, toen de ontwikkeling van het anorganische tot eene levende cel tot stand kwam, in de stof voorhanden moest zijn, en die dus, als de hypothese der oerteelt onjuist ware, dadelijk bij de anorganische wereld zou moeten verdwijnen ?

Gij gevoelt wel, hoe moeielijk het is, om over dit punt een beslissend oordeel uit te spreken. Heeft een koolstofatoom of eenig ander atoom van een element „bewustzijn", „geheugen", eene „ziel" ? Gij zijt dadelijk bereid die vraag beslist ontkennend te beantwoorden, maar hoe dan bij de plant, die toch ontwijfelbaar „leeft" ? Ook daar is toch het bestaan van de genoemde verschijnselen onmogelijk vast te stellen.

Om ons echter niet in al te diepzinnige kwesties te begeven, willen wij ons bepalen tot de voortplanting, de liefde, die ook tot de grondeigenschappen van den bacil behoort. De vraag is dus, of wij ook met deze eigenschap, nog voorbij den bacil, tot in het anorganische kunnen afdalen. Natuurlijk komen wij hier op een gebied, waarop van positieve antwoorden geen sprake kan zijn. Maar de mogelijkheid kan, volgens het voorgaande, niet a priori betwist worden en of de bedoelde grondeigenschappen als w e r k e 1 ij k in de anorganische wereld voortbestaande moeten beschouwd worden, hangt af van de beteekenis, die men aan de, tusschen de levende cel en de anorganische stof voorhanden, analogieën wenscht toe te kennen. Het proces der voortplanting vertoont eene menigte van verschijnselen, die wij reeds voor een deel bij den mensch hebben leeren kennen, deels nog nader zullen bespreken. En nu valt het niet te ontkennen, dat er voor vele dier processen zekere overeenkomstige verschijnselen, „analo-

Sluiten