Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onze dwergen doen zich van den aanvang af als individu's, als eene veelheid van afzonderlijke wezens, voor. Aldus moeten wij ons de ééncelligen uit den oertijd, met welken het leven in onze beteekenis begon, eveneens voorstellen en zoo ontmoeten wij nog tegenwoordig op de aarde myriaden en nogmaals myriaden van ééncellige wezens. Van een gemeenschappelijk o e r s 1 ij m 1), waaruit deze oer-individu's zelf eens voortgekomen zouden zijn, leert ons de theorie of de practijk, noch het tegenwoordige of verledene iets, en mocht het toch éénmaal bestaan hebben, dan moet dit in elk geval reeds lang vóór alle echte „tijden der liefde" geweest zijn.

De dwergen waren dus bij het begin der historie wel geïndividualiseerd, maar zij waren daarbij nog volkomen geslachtsloos, noch man noch vrouw. Dezen toestand ziet gij tegenwoordig nog bij bijna alle ééncelligen, ja, hij vormt zelfs een regelrecht en wezenlijk kenmerk van het geheele „derde rijk." Te vergeefs zoekt gij bij de kleine vormlooze klompjes slijm in het slib onzer wateren, de zoogenaamde amoeben 2), of bij één der beroemde bacillen, naar „man" of „vrouw." Zij zijn geen van beiden. Ook zijn zij bijvoorbeeld geen zoogenaamde „hermaphrodieten" of tweeslachtigen, die de beide soorten van geslachtsdeelen in hetzelfde lichaam vereenigen. Neen: zij hebben juist in 't geheel geene

Bölsche, Liefde i. d. Natuur, I, 2e druk. ii

Sluiten