Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De bevoorrechting van vreemde makkers bij de versmelting dreef de kleine dwergen tot het rondtrekken. Daarbij troffen zij zekere trage vreemde dwergen aan, door ongelijke verdeeling in tweeën ontstaan, waarmede zij zich nu gewenden, om op bijzonder gunstige wijze te versmelten. Zoo ontstond verschil tusschen de versmeltende makkers: de tweeslachtigheid vestigde zich in dien zin, dat men nu ook uitwendig twee geslachten kon onderscheiden, — een klein, beweeglijk, zoekend — en een grooter, trager, afwachtend geslacht.

Neem uzelf: het hoogst ontwikkelde dier op aarde. Bespeurt gij niet nog in uzelf de achternasleepende schaduw van het overoude proces in het dwergsprookje uit de wereld der oercellen ? Vooreerst ook bij u nog een vast en beslist verschil in vorm tusschen de voorttelende individu's. Niet alleen schuwt de broeder den broeder en zoekt hij een vreemd menschelijk wezen voor de paring, maar hij zoekt onder dezen ook een, lichamelijk geheel van hem verschillenden mensch : hij zoekt als man eene vrouw. En de vrouw zoekt omgekeerd een man. Ga die tegenstelling echter eens scherper na.

Ziet gij ze wel, — de sporen van het overoude dwergensprookje, van de beweeglijke cel, die zocht, en de blijvende, die afwachtte ? In het ontzaglijke raderwerk van het leven en de beschaving der menschheid, neemt ook de vrouw deel aan duizend en duizend bewegingen van lichamelijken en geestelijken aard, maar houden wij, te midden van dat alles, den blik scherp op het geslachtsleven gericht, dan is de

Bölsche, Liefde i. d. Natuur, I, 2e druk. 12

Sluiten