Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„hetzij — of" van den aanvang af reeds tot allerlei gewone levensdoeleinden bij zich zelf verzorgd en verpleegd hadden. Zelf bij één en hetzelfde individu ziet gij somtijds de scherpste afwisseling tusschen het gebonden zijn aan dezelfde plaats en de beweeglijkheid. Tijdens de spijsvertering, bij het uitdrogen van de verblijfplaats, ter beschutting tegen allerlei uitwendige gevaren en nadeelen, ziet gij vrij en lustig zwermende oercellen zich plotseling vastzetten en tijdens de rust inkapselen. Is de aanleiding of het gevaar voorbij, dan wordt het rustende celletje weer eene even vroolijke zwermcel. Geen wonder dus, dat zulk een algemeen verschijnsel juist ook in het leven der liefde zich eene plaats verwierf en daar eene groote, ja beslissende beteekenis verkreeg. Bij het versmelten van twee cellen werd bij de ééne partij de toestand der beweeglijkheid, bij de andere die der rust begunstigd. Was dit éénmaal tot eene vaste gewoonte geworden, en verbonden met het verschil in grootte, dan kon zeer goed de beweeglijkheid zich als een meer of minder vast kenmerk der ééne (mannelijke) partij en de onbeweeglijkheid omgekeerd als kenmerk der „vrouwelijkheid" ontwikkelen.

De rest van de idylle der dwergen volgt nu op hoogst eenvoudige wijze uit het voorgaande — dit gevoelt gij zelf reeds. Maar in den grond moeten wij hier toch feitelijk nog een grooten hoek omzwenken. Beide partijen van dwergen worden daarin aan elkaar gelijk, dat zij zich „ongelijk" verdeelen. Dat wil zeggen: elk der beide ouderlijke dwergen verdeelt zich in beide gevallen in een groot hoofddeel en

Sluiten