Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenvoudigste waarneming niet volkomen vaststaat. Zoolang dit het geval is, missen wij zelfs nog een vasten bodem en wij zullen ons dus in dezen doolhof niet verder begeven, evenals boven bij het vraagstuk van de ziel. Dit is echter juist het kenschetsende van het probleem der liefde, dat het overal de kern der dingen kruist.

Neen, wij houden ons stevig vast aan de groote lijn. Zonder in te dringen in duistere bijzondere vraagpunten, onder welke ons dadelijk een donkere afgrond tegengrijnst, bewaakt door salamanders en draken.

En die groote lijn zal, dunkt mij, als geheel genomen, thans wel volkomen duidelijk voor u zijn. Van het oerwezen, uit | slechts ééne cel bestaande, dat noch man noch vrouw was'en zich voor de voortplanting eenvoudig in twee stukken scheurde. Tot aan het hoogere schepsel, dat uit eene gemeenschap van vele cellen bestaat, ofschoon het in zijn geheel — hoe, is een wonder — toch weer een echt, ondeelbaar individu voorstelt. En dat door arbeidsverdeeling van zijne cellen in organen verdeeld is, van welke er één — al of niet in verband met alle andere lichaamscellen — uitsluitend voor de voortplanting dient. En wel een mannelijk orgaan, waaruit zich afzonderlijke zaadcellen en een vrouwelijk, waaruit zich afzonderlijke eicellen afscheiden, die bij de voortplanting versmelten. En uit wier vermenging, thans eerst in de eigenlijke „voortplanting", een nieuw wezen opgroeit.

Over dat opgroeien van dat nieuwe wezen moeten wij nu ten slotte nog een gewichtig woordje in het midden brengen, dat wel opnieuw het netelige erfelijkheidsvraagstuk kruist, doch op eene minder gevaarlijke plaats zijner baan.

Sluiten