Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hierheen — en daarheen. Wij zullen wel weer op den mensch komen. En dan weer op gemeenschappelijke baan.

Houd u er op voorbereid: het zal u juist nu menigmaal voorkomen, alsof het door de hel ging. En toch is het geen hel.

Het is eene stille reis door oude ruimten, oude poppenkasten van uwe eigene zonnewereld. Ruimten, die gijzelf éénmaal bewoond hebt. Andere, die in de buurt gelegen zijn en nog thans met haar oude huisraad daar staan. Is het u niet zelf zoo gegaan : op den mannelijken leeftijd, wellicht reeds met de eerste grijze lok, zijt gij teruggekeerd naar de oude woonplaatsen uwer jeugd. Alles lijkt u wonderlijk, klein, bestoven toe, als huisraad van de voorouders. Veel schijnt u dom, kinderlijk, ja kinderachtig toe en zoo naïef, dat gij moet lachen. Gij, die zooveel ondervonden hebt van de heete wereldzon, zooveel rondgereisd hebt tusschen de sterren. Oude moedertjes, in wier eng vertrekje, achter een kopje vlierthee en verbleekte borduursels van het jaar zooveel, de wereld stilgestaan heeft, wand tegen wand met Copernicus, Darwin en de sociale quaestie . . . . maar gij lacht en begrijpt — en zijt toch ontroerd. Want hier leeft uwe jeugd, de eerste liefde, die tot u kwam, en de eerste, die van u ging. Destijds was dat alles in 't geheel niet belachelijk. Beschouw nu op die wijze de oude dierenwereld. De meduse, de kreeft, de mier, de zeester, de visch — het zijn allen vliermoedertjes, die gij, het kind van de wereld, in een stil schemeruurtje bezoekt. Het wereldkind van de aarde, dat de oude dwergjes bezoekt, die het in zijne bakermat gewiegd hebben ! Zij zijn oud en gerimpeld. Maar gij denkt, — en die gedachte wordt eene stille, groote, geheimzinnige rozengaarde, die over alle liefde uit het verledene dorent en bloeit. Tusschen de vlammen der rozen de eeuwige sterren. Geen hoek op de aarde, waar zij niet zijn. En van hare melkwegen uit zingt het wereldlied van den geest: „En ziet, ik ben met u alle dagen, tot aan het einde der wereld" ....

Sluiten