Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Stel u eene pruim voor.

Neem eens aan, dat die pruim van boven een mond heeft. Dat zij van binnen hol is en dat de mond in deze holte uitkomt. Dat de wand om die holte uit twee huidlagen bestaat. En dat de buitenste laag kleine franjetjes of haartjes draagt. De pruim valt in zee. Opeens bewegen zich de haartjes op eene bepaalde maat, zoodat het geheel snel voortzwermt. Kleine diertjes komen in zijn weg — hap ! het gat slokt ze op. In de holte zijn zij nu in eene werkelijke maag gekomen, — de binnenste laag van den wand der pruim maakt er zich volkomen op dezelfde wijze van meester, als onze maagen darmwanden dat zouden doen bij het eten van een beefsteak of een eendeboutje: zij verwerkt ze, verteert ze. Daar er geen aarsopening voorhanden is, moeten de onverteerde resten weer door den mond uitgespogen worden.

Bovendien ontsnappen van tijd tot tijd uit onze pruim, als zij van het mannelijk geslacht is, kleine beweeglijke zaadcellen, die zich van hare dubbele huid losgespleten hebben. Bij de vrouwelijke pruim vormen zich omgekeerd groote, trage eicellen. En er zijn ook pruimen, die de beide geslachtsstoffen aan hetzelfde lichaam dragen.

Want wat ik u, met de pruim als beeld, hier beschreven heb, is niets anders dan de gastraea, het oerdarmdier of oermaagdier, de stam-, grond- en oervorm van alle hoogere, echte dieren. Eene groep van cellen, die zich als geheel tot een individu van hoogeren graad samengevoegd hebben. En waarin reeds eene eenvoudigste arbeidsverdeeling plaats ge-

Sluiten