is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der liefde in de natuur

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1

„Sag' uns, Vater, wo wir wallen, Sag' uns' Guter, wer wir sind ? Glücklich sind wir, allen, allen Ist das Dasein so gelind."

Uit G o e t h e's F a u s t.

Ik wil u een oogenblik bij den poliep doen stilstaan. Slechts een oogenblik, — maar, naar ik hoop, een leerrijk oogenblik. Bij den poliep en zijn gevolg.

Ik kan hier dadelijk eene dwaling wegnemen, die anders ons geheele verdere gekeuvel over de liefde vervelend dreigde te maken.

De kleine groene zoetwaterpoliep, daar beneden onder het eendenkroos — en gij, homo si piens, hoogste loot aan den stam der hoogere gewervelde dieren : gij beiden hebt tot aan de goede gastraea, deze zwemmende oermaag, dezelfde oudste voorvaderen. En daar de biogenetische grondwet voor u beiden geldt, zoo is ook uw bijzondere oorsprong als individu, althans tot op zekeren graad, dezelfde. Mannelijke zaadcel en vrouwelijke eicel; het bevruchte ei splitst zich in eene cellenkolonie en zoo voort — hier tot poliep, daar tot u. En zoo en niet anders is het nu niet alleen bij poliep en mensch, doch ook bij worm en kreeft, spin en kever, zeester en oester, inktvisch en echten visch, kikvorsch en vogel. En nu komt de bedenking bij u op : zou nu de liefdeshistorie, stuk voor stuk, bij zulk eene principiëele overeenkomst, niet ontzaglijk vervelend worden, — een