Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nadat gij nu de „teeltwisseling" door een groot voorbeeld hebt leeren kennen, kan ik aan het laatste denkbeeld nog eenige liefdeshistories toevoegen, die de verhouding tusschen stamdier en kind eigenlijk nog volkomener uitdrukken.

Wij blijven bij de wormen.

Het geheele systeem der wormen kan ik u niet vertoonen Dat is eene wanhopig moeielijke zaak, waarover de zoölogen elkaar genoeg in de haren zitten en vóór jaren zeide Karl Vogt van Genève reeds, dat het bijna het beste zou zijn, als men hier de geheele systematiek aan den kapstok hing en zich bepaalde tot de definitie in het vers van Busch ■ „De worm is verschillend van lengte". Daarom slechts een paar woorden voor de noodzakelijkste ophelderingen. Werp alle wormen eenvoudig op drie hoopen.

Op den éénen hoop liggen de platwormen, waartoe de lintworm behoort. Deze hoop wormen staat het laagst in den stamboom en heeft zich waarschijnlijk onmiddellijk uit dat brave oer-maagdier, de gastraea, ontwikkeld.

Uit de platwormen hebben zich toen historisch de eigenlijke of rondwormen gevormd, een reusachtige hoop met tallooze groepen en minstens vijftien klassen, zooals: raderdiertjes, mosdiertjes, stekelwormen, draadwormen, sterwormen, pijlwormen, koordwormen, enz. Als leek kent gij — ik ben daarvan zoo goed als zeker — uit deze bonte reeks feitelijk s echts ééne enkele groep, en we!: eenige draadwormen, zooals de, aan den mensch getrouwe, trichine, den spoelworm, die ook in uwen darm, „tafelschuimt," alsmede het azijn-

Sluiten