Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

keldier. Maar vóór dit kant en klaar vóór u staat, gebeuren er nog de vreemdsoortigste zaken.

Uit de versmelting van zaadcel en ei vormt zich een nietig klein, doorzichtig schepseltje, schijnbaar geheel voltooid in zijn bouw, maar op alles eerder gelijkend dan op een stekelbeest uit den huize: zeeëgel. Het geleiachtig weeke lichaampje bezit mond, darmen, eene aarsopening en zwemt door middel van, levendig zich bewegende, trilharen vrij in het water rond. Naar zijn ganschen lichaamsbouw moeten wij het voor een jongen, zich ontwikkelenden, worm houden en als het op een zekeren dag geslachtsrijp werd en weer jonge, dergelijke dieren voortbracht, zou het eenvoudig onmiddellijk tot zekere wormen moeten gerekend worden. Maar: het wordt niet geslachtsrijp.

Het ontwikkelt zich door zonderlinge uitwassen en punten tot een wezen, dat er bijna als een kleinen punthelm van onze kolonialen uitziet. En na eenigen tijd beginnen er zich binnen in dien punthelm knoppen te ontwikkelen en in de holte tusschen den lichaamswand en de maag legt zich een geheel nieuw dier, dat geheel anders samengesteld is. De punthelm was, als 't ware, niets anders dan een „voorloopig" individu, waarin door knopvorming eerst het eigenlijke dier uitbot.

Het uitbottende kleinkind is, zooals men spoedig bemerkt, ditmaal een werkelijke kleine zeeëgel. Deze doosvormige zeeëgel groeit in het binnenste van den levenden punthelm zoodanig verder, dat hij de maag van dezen, als eigen orgaan, in zich opneemt. De punthelm, die in zijn eigen lichaam, door den voortwoekerenden ingeschoven gast, van zijn eigen voedingsorgaan gescheiden wordt, kwijnt natuurlijk weg, sterft af en zinkt ten slotte, ingedroogd als eene verwelkte bloem, van den jongen egel naar de diepte weg. De beer van Münchhausen zit in het gareel. De zeeëgel, die, na de volbrachte inwendige halveering zijner „moeder", in het heugelijk bezit is van de moederlijke maag, die onafgebroken in functie gebleven is, bekommert zich weinig

Sluiten