Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij verkeert als 't ware in een plantenslaap, zoodat gij bijna twijfelt, of dat werkelijk nog een dier is. Maar dan toch zeker een zeer laag dier, zult gij meenen. Denk toch eens hoe een worm zich zou kronkelen en verweren, als zijn verblijf door u opengebroken werd en gij hem levend op een schotel in het, helder electrisch verlichte, kabinet van een groot restaurant bracht. En toch is deze beweginglooze martelaar hooger georganiseerd dan een eenvoudige worm.

Met hem betreedt gij de tweede van de vier verdiepingen van het hoogere dierlijke leven, die zich boven de wormen verheffen. Gij staat voor de weekdieren. Daarbij ontmoet gij allerwegen twee groepen, die door het spraakgebruik wel volkomen juist door twee woorden onderscheiden worden, maar door den leek dikwijls voor synoniem gehouden worden. Het ééne woord luidt: schelpdier, het andere slak. Als ruw onderscheid kan men zeggen: het schelpdier is een weekdier, dat tusschen twee plaatvormige schelpen besloten is, evenals eene snede ham tusschen twee sneden wittebrood. De kostbare oester, in zijn eenvoudig rokje, is zulk een schelpdier en evenzoo de blauwe mossel met de dooiergele kern. Daarentegen is de slak óf geheel naakt, zooals onze groote roode, zwarte of groenachtig grijze aardslak, öf zij heeft, zooals onze tuinslak, eene enkele spiraalvormig gewonden schelp, een „huisje", waaruit zij willekeurig in- en uit kan kruipen.

De slak is in elk opzicht een hooger ontwikkeld weekdier an de oester. Zij heeft een afzonderlijken kop, meestal met beweegbare voelhorens en oogen en zij heeft niet alleen vertegenwoordigers in het water, maar er zijn ook landbewonende slakken, die, evenals wij menschen, de lucht door longen inademen.

In den zin der historische ontwikkeling zijn waarschijnlijk vóór langen tijd uit de wormen eerst zekere oerslakken ontstaan waaruit zich dan naar de ééne richting de tegenwoordige slakken ontwikkeld hebben, terwijl in de andere ric ting, door aanpassing aan eene onafgebroken zittende

Sluiten