Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Denk u een sierlijk schilderijtje in den trant van Watteau.

Op goudgroene druivenbladeren naderen elkaar van verschillende zijden twee groote slakken van de bekendste soort, met het dikke, bruine, onduidelijk gestreepte huisje. Zij komen aanwaggelen en richten de koppen op. Maar daar ziet gij opeens, dat de grijze lichamen der slakken rooskleurige engeltjes, kleine schalksche cupidootjes geworden zijn, die slechts, als in scherts, zich, als narrenkappen, de lange, van knoppen voorziene, voelhorens op de hoofdjes gezet hebben. En nu beschrijven de beide schelmen onder hun beschuttend dak sierlijke bogen, leggen op elkaar aan en beschieten elkaar met kleine, zilveren pijltjes — liefdespijlen, die zonder te missen in het hart treffen, hoewel ze geen werkelijke bloedende wonden slaan ....

Opeens is de betoovering voorbij: het zijn slechts trage, oude, vette, vraatzuchtige wijngaardslakken. En toch hebt gij iets met de oogen der poëzie bekeken, wat ook de natuurgeschiedenis u op hare wijze verhaalt. Want in de liefdesgeschiedenis der slakken verhaalt ook de strenge wetenschap van „liefdespijlen", waarvan zich de verliefden bedienen, maar de geschiedenis gaat hier, zooals gewoonlijk, meer den kant uit van Aristóphanes dan van Petrarca. 2)

Zulk eene slak is voor het leekenverstand altijd nog vrij wat beter in haren algemeenen bouw te begrijpen dan een oester. Tegenover de ordelooze brijmassa van een geopenden oester vertoont de slak een veel meer geproportioneerd

Sluiten